Het eerste begin (1810-1860)

Terug naar de vorige pagina

Het Middelburgse station met links de Stationsbrug omstreeks 1900. Ansichtkaart

 

Lang voor de aanleg van de spoorweg Roosendaal-Vlissingen werden er al ernstige plannen gemaakt voor wat later een belangrijk onderdeel vormde van de aanleg van de Zeeuwse spoorlijn.

Al in 1810 had Napoleon de aandacht gevestigd op het noodzakelijke van twee dingen: de afdamming van de Sloe en van de Oosterschelde. Hierdoor zouden de eilanden Walcheren en Zuid-Beveland dichter bij het vasteland worden betrokken. Toen Napoleon in datzelfde jaar een bezoek bracht aan Zeeland, begaf hij zich zowel naar de Sloe als de Oosterschelde bij Bath, om zichzelf op de hoogte te stellen van de situatie aldaar. De heerser van het Franse rijk was erg voortvarend; er werden direct plannen gemaakt voor de afdamming van deze twee waters.

Op 23 augustus moest generaal graaf Bertrand te Vlissingen in opdracht van Napoleon ontwerpen maken voor de vereniging van Walcheren en Zuid-Beveland. Deze ontwerpen werden op 3 december ingezonden naar kolonelcommandant van de genie in Vlissingen. Nog voor 1811 kwamen de plannen onder ogen van Napoleon zelf! Ook werden er plannen gemaakt voor de afdamming van de Welzinge ten zuiden van Middelburg.

Omdat deze landen niet veel later aan Napoleon z’n beheer ontvielen, vielen al deze plannen in het water. Als Napoleon langer aan de macht was gebleven, hadden ze zeker doorgang gevonden en zou de aanleg van de Zeeuwse spoorlijn jaren later stukken sneller zijn gegaan!

Koning Willem I ging al vlug verder met het onderzoeken naar mogelijkheden voor afdammingen. Maar door de onlusten in 1830 in de Zuidelijke gewesten werden deze plannen niet verder uitgewerkt dan tijdens het bewind van Napoleon.

In 1840 kwamen de eerste plannen voor een spoorweg van Vlissingen richting het oosten. De heer Dirk Dronkers (geboren op 7 april 1801 te Axel), aannemer te Middelburg ging samen met de heer F. van Sorge richting de koning voor een vergunning tot:

‘- Het graven van een kanaal uit het Marinedok te Vlissingen naar Middelburg met de nodige sluizen voor bepaalde waterstanden.

-De inrichting van eene der binnenkaden te Middelburg tot een behoorlijk dok met ruime en veilige ligplaatsen

-Uitdieping van de tegenwoordige haven en aan het uiteinde mede van de vereiste sluizen te voorzien.

-Eene afdamming van het Sloe en het dichten van het vaarwater tusschen Bath en Woensdrecht ter verbinding van Zuid-Beveland met den Noord-Brabantschen wal.’

De kosten werden beraamd op 4 miljoen gulden en het onderhoud zou moeten worden betaald uit de tolgelden.

Op 30 oktober 1840 kwam het teleurstellende bericht: de concessie werd niet verleend.

Donkers liet de moed niet zakken en in 1842 werd er weer een concessie gevraagd, echter nu zonder afdamming van de Oosterschelde waardoor het plan aanzienlijk werd vereenvoudigd.

Ondanks dat het Middelburgse bestuur ging ondersteunen, kwam er weer een negatief antwoord van hogerhand.

Er kwamen onderzoeken die duurden tot eind 1845. Er moest nu een nieuw kanaal naar Arnemuiden komen. De kosten kwamen op f4.170.000,-. Toen hiervoor een concessie door de gemeente Middelburg werd aangevraagd bleek er net een aanvraag te zijn gedaan door Dronkers voor de aanleg van een spoorlijn tussen Vlissingen en het Duitse achterland. De Middelburgse aannemer had hiervoor een rapport geschreven: “Enige beschouwingen over de doelmatige tot het daerstellen van een spoorweg, uit de hoofdstad van Zeeland door de provinciën Noord-Brabant en Limburg.”. Het was een ongelukkige samenloop van omstandigheden dat deze concessies tegelijk werden aangevraagd, want anders zou de Zeeuwse spoorlijn veel eerder klaar zijn geweest; de afdamming van het Sloe bracht later veel vertraging met zich mee!

Omdat Dirk Dronkers veel moeite deed voor de aanleg van een Zeeuwse spoorlijn, kreeg hij algemene sympathie bij de Zeeuwse bevolking, degenen daargelaten die het een ‘herschenschim, eene bespotting op allerlei wijze’ vonden. Gelukkig waren deze personen ver in de minderheid en later vonden ze de aanleg van een Zeeuwse spoorweg hoogst nuttig…

Na de nodige opmetingen kwam op 13 februari 1846 het verblijdende bericht: er zal een Zeeuwse spoorlijn komen!

De Middelburgse Courant van 18 maart 1846 was geheel gewijd aan deze heuglijke tijding.

Niet alleen Dronkers werd door de mensen in ere gehouden. Ook de heer van Sorge werd aangehaald in het feestnummer van de Middelburgsche Courant, die verscheen op 18 maart 1846. ‘Zijn wij wel onderrigt, dan wordt bij dit besluit ook regt gedaan en herinnerd aan de verdiensten van eenen vroegeren stadgenoot, den heer F. van Sorge, wiens naam wij te dezer zake ook wel vroeger hadden moeten vermelden, als zijnde mede een der ontwerpers van een gewigtig gedeelte van dit plan tot verbetering van Zeelands welvaart geweest.’

Er verscheen een uitgave als antwoord op het rapport van Dirk Dronkers: ‘Beschouwing van den Zeeuwsch Duitschen spoorweg van Vlissingen-Middelburg naar Maastricht, waarvan door Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden concessie is verleend aan den heer Dirk Dronkers en Ce’.

Hierin stond uitgebreid vermeld hoe de spoorweg en de kanaal-/afdammings-werken uitgevoerd dienden te worden.

De stad Middelburg, gelegen midden in het Eiland Walcheren, een uur van Vlissingen, heeft thans gemeenschap met de zee, door eene haven, welker mond digt bij de stad Vere, ten noorden van het eiland uitloopt. Ter verbetering dezer positie zijn de volgende werken ontworpen: Er zal een haven-kanaal gemaakt worden, beginnende van of ten Oosten der stad Vlissingen, aan een punt van de kust, dat gemakkelijk te bereiken en alwaar eene veilige reede is. Dit kanaal zal in verbinding worden gebragt met de tegenwoordige haven van Middelburg...

...Deze werken voltooid zijnde, zal er een spoorweg gelegd worden, ten einde de Zeeuwsche eilanden met het vaste land te verbinden... ... Tusschen Middelburg en Vlissingen zal de spoorweg loopen langs den Westelijken dijk tot den stad Middelburg, alwaar een hoofdstation zal worden aangelegd, en vooral in aanmerking genomen worden het verkrijgen van een ruim emplasement, voor het daarstellen van gebouwen voor verschillende diensten...

Ondanks de vele optimistische gedachten was er nog grote onzekerheid door bezwarende bepalingen. Er waren grote financiële tekorten bij het Rijk!

Enige maanden later kwam een tweede bericht: de plannen werden ingetrokken… Groot was de teleurstelling onder de Zeeuwse bevolking, maar men gaf de moed niet op! Op 10 april 1851 werd er een concessie aangevraagd voor de afdamming van het Sloe met het Kanaal door Walcheren. De kosten zouden op f2.600.000,- komen, maar in oktober kwam voor de zoveelste keer het bericht: geen goedkeuring door financiële problemen. Misschien later nog eens…

In 1858 probeerde een zekere IJ.D.C. Suermondt een poging te wagen maar weer zonder succes. Om de havensteden Rotterdam en Dordrecht niet te benadelen, zou de spoorweg richting Zeeland voorlopig niet mogen worden aangelegd.

 

… Laatst, zaterdagmiddag is, met het stoomjagt van Rotterdam, alhier uit ’s Gravenhage terug gekomen den heer D. Dronkers. Feestelijk was de ontvangst die hem verwachtte. Zoodra men met eenige zekerheid vernam dat die heer aan boord van het stoomjagt zijn zou, was weder in korten tijd de geheele stad met vlaggen versierd; de muziek der schutterij ontving hem met het spelen der volksliederen, ook liet zich het klokkenspel hooren; een gedeelte der werklieden van het Sint-Jans-bedrijf hadden zich, met nationale en oranje vaandels voorzien, naar de aanlegplaats begeven. Met een daverend ‘Hoera’ werd de heer Dronkers door de talrijke aldaar verzamelde ingezetenen ontvangen, en nam bij het verlaten der stoomboot, vergezeld van een daartoe verzocht ingezeten, plaats in de met vier paarden bespannen koets van den heer burgemeester, welke zijn edelachtbare daar ter plaatse tot ontvangst had doen aanbieden, en welk rijtuig hem, onder herhaald gejuich, aan zijne woning bragt.

Des avonds verbeidde hem eene verrassende ontvangst in de sociëteit ‘de Vergenoeging’, welke verlicht en waarvan de zaal gedecoreerd was. Onderscheidene toasten werden hem daar toegebragt, en ook vele wenschen voor Vaderland en Koning, voor gewestelijke en stedelijke autoriteiten, voor de welvaart en bloei der provinciën die in deze groote aangelegenheid zijn betrokken, ontboezemd. Wederkerig werd hierop geantwoord door twee toevallig aanwezige inwoners van Noord-Brabant, en in de beste eensgezindheid en orde is deze samenkomst geëindigt.

Door de ingezetenen werden op onderscheidene plaatsen voetzoekers en andere vuurwerken afgestoken, en met genoegen kan men vermelden, dat alles in de beste orde is afgelopen. …

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikel in de Middelburgsche Courant van 18 maart 1846.



Gebruikte bronnen:
1

2
30
31

Klik op de nummers en u wordt doorgestuurd naar de bronnenlijst

Terug naar boven