Stoomtractie 1868-1957

Terug naar de vorige pagina

Station Middelburg rond 1930.          Ansichtkaart

Bij de opening van de Zeeuwse lijn reden er locomotieven waarop de machinist in de open lucht zijn werk moest doen. Deze locomotieven hadden allemaal een tender, waardoor ze een behoorlijke kolenvoorraad mee konden nemen. In Kapelle-Biezelinge en Goes waren tractiedepots aangelegd waar ook water kon worden ingenomen. In het kopstation van Vlissingen werden de locs weer gereed gemaakt voor de terugreis, vandaar dat Vlissingen ook een behoorlijk tractiedepot heeft gekend.
Na 1850 kwamen er stoomlocomotieven met een cabine. Dit was voor de machinist en stoker heel wat comfortabeler, alhoewel het nu in de cabine behoorlijk heet kon zijn. De deinst tussen Roosendaal en Bergen op Zoom werd vanaf 23 december 1863 door de SS (Staatsspoorwegen) geëxploiteerd met twee locomotieven uit de serie 5-8 (as-indeling 1B).
Rond 1890 waren de oudste machines van de SS al in minderheid en werden zwaardere machines ingezet. Dit waren o.a. serie 1-5 (ex-NBDS), en 9-78 (1B, later NS 701-775) uit de jaren 1865-1873 en de serie 101-150 (aB, later NS 901-905) uit de jaren 1872-1879.
Al in 1875 kwam er internationaal vervoer in oost-west richting op gang. Van 26 juli tot 14 november reed er in aansluiting op de nachtbootdienst Sheerness-Vlissingen van de SMZ (Stoomvaart Maatschappij Zeeland) een rijtuig 1e en 2e klasse tussen Vlissingen en Keulen.
De eerste echte Vlissingse boottrein reed op 16 mei 1876 tot Keulen, getrokken door SS-locomotieven van de serie 101-150, de latere 900’en van de NS.
De verbinding over Vlissingen trok veel passagiers uit Duitsland aan, ondanks de concurrentie van de bootdienst over Oostende. Inmiddels had de SMZ ook contracten in de wacht weten te slepen voor het vervoer van post tussen Amerika en Engeland enerzijds en Nederland en Duitsland anderzijds. Spoedig werd dit vervoer uitgebreid tot de mail voor Rusland, Scandinavië, Oostenrijk en Hongarije, zodat de naam mailtreinen ontstond.
Voor de mailtreinen van Vlissingen naar Boxtel werd de serie 301-479 (later 1301-1479) ingezet. In 1880 werd door Beyer Peacock in Manchester de eerste machine gebouwd van deze 1B-loc. Deze locs waren de grootste serie Nederlandse locomotieven die ons land heeft gekend. De machine voldeed geheel aan de gestelde verwachtingen en kon zowel voor de reizigers- als voor de goederendienst worden ingezet. Daarom werden er in de volgende 15 jaar maar liefst 179 stuks aangeschaft door de Staatsspoorwegen.
Omdat deze loc eerst in de bekende appelgroene kleur werd geschilderd, kreeg zij de bijnaam “Grote Groene”.
Overigens werden de mailtreinen vaak nog gereden door twee Grote Groenen. Omdat het economischer was om slechts één locomotief te gebruiken, zocht de SS naar een machine met nog een groter vermogen. Hiervoor kwam de serie 995-999 (2B1, later NS 2001-2005) in aanmerking. Dit type was de eerste serie sneltreinlocs met vijf assen in Nederland.
Met ingang van 15 mei 1881 werd het mogelijk zonder overstappen ’s morgens om 8.10 uur in Berlijn in de trein te stappen en ’s avonds om 22.00 uur aan te komen in Vlissingen, met directe aansluiting op de nachtboot naar Engeland. ’s Morgens vroeg waren de reizigers dan gearriveerd in Londen. De trein bestond inmiddels uit twee delen, één naar en van Keulen en Frankfurt am Main over Venlo en één naar en van Hamburg en Berlijn over Gennep. Het splitsen of combineren geschiedde in Boxtel.
De accommodatie was voor de reizigers aan het begin van de jaren ’80 vrij beperkt. Een toilet was niet aanwezig en hier kwam pas verbetering in toen de SS in 1886 rijtuigen 1e en 2e klasse ging uitrusten met toilet- en wasinrichting. Pas vanaf 1885 werden er in de treinen Vlissingen-Venlo restauratierijtuigen geplaatst, daarvoor kon men op het station een kopje thee drinken.
De SS kreeg de smaak van doorgaande treinen te pakken en liet in de zomer van 1886 een badgastentrein rijden tussen Roosendaal en Vlissingen. Helaas, vanwege te weinig belangstelling werd reeds na vier keer afgezien van de proef. De eerste trein reed op zaterdag 17 juli 1886 en de terugreis gebeurde twee dagen later.
In 1887 waren de Vlissingse mailtreinen gegroeid tot soms wel vijftien drieassige rijtuigen. Het traject Vlissingen-Boxtel werd in 166 minuten afgelegd: een afstand van 137 km met maar één tussenstop in Roosendaal.
In juni 1887 ging de SMZ de bootdiensten ook overdag uitvoeren zodat er nog meer spoorwegverkeer op gang kwam. In 1893 kwamen er non-stop sneltreinen tussen Vlissingen en Amsterdam. Langzaamaan steeg het aanbod van passagiers zodat er vanaf mei 1897 in aansluiting op elke nachtboot twee treinen naar en van Duitsland reden.
Toen in 9010 de eerste locs van de serie 2C (later NS 37000-3820) in gebruik kwamen, werden de Grote Groenen uit de sneltreindienst gehaald en voor minder belangrijke opdrachten ingezet.
In de Eerste Wereldoorlog werden allen boottreindiensten gestaakt. Na de oorlog duurde het tot 1919 voordat er weer internationaal verkeer kwam in Zeeland. In 1919 werd de veerdienst van de SMZ geleidelijk uitgebreid tot een dagelijkse nachtbootdienst tussen Vlissingen en Folkestone.
Ondertussen waren de Grote Groenen in Vlissingen in depot en reden zij met stoptreinen naar Roosendaal waarna in 1922 de 1700’en van de NS (Nederlandse Spoorwegen) dikwijls waren te vinden op de Zeeuwse spoorlijn. Deze waren gestald in het depot te Roosendaal. Zeven 3700’en waren te zien voor treinen op Vlissingen en zes Roosendaalse 2100’en waren actief met reizigerstreinen tussen het noorden en het zuiden van het land, zoals tussen ’s Hertogenbosch en Vlissingen.
Met ingang van 25 oktober 1920 was er weer een dag- en nachtdienst voor de boottrein tussen Folkestone en Vlissingen. Twee jaar later, op 1 juni 1922 werd Vlissingen echter haven voor de dagbootdienst en Hoek van Holland werd nachtbootdienst op Harwich.
Vanaf 1927 bleef de dienstregeling tot aan 1940 vrijwel onveranderd.
De oorlogsdreiging in 1939 was goed te merken in het spoorwegverkeer. Aangezien militairen na afkondiging van mobilisatie zich per spoor moesten verplaatsen, was er in deze tijden beperkt reizigersvervoer voor burgers.
Aan het einde van september 1939 reden de meeste treinen weer normaal, maar sommige internationale treinen reden al minder frequent. De bootreinen van Vlissingen bleven nog wel dagelijks rijden, totdat op 25 november 1939 de Oranje Nasssau de laatste overtocht maakte en in de haven van Vlissingen afmeerde.
De boottrein kwam na de oorlog nooit meer terug...
Vanaf 4 juni 1940 reden er alleen tenderlocomotieven van Roosendaal tot Kruiningen-Yerseke, aangezien op laatstgenoemde station geen draaischijf lag. Er reden niet meer dan drie treinen per dag wat vanaf 15 augustus werd verhoogd tussen zes treinen per dag tussen Roosendaal en Vlissingen.
Tot 15 mei 1949 had de stoomtractie het monopolie in Zeeland. Maar ook na instroming van dieselmaterieel was het voor de stoomtrein niet afgelopen.
Voor het drukke verkeer op zaterdagmiddag (’s ochtends werd nog gewerkt!) en maandagochtend werden nog enkele sneltreinen tussen Rotterdam DP en Vlissingen met stoomtractie ingezet.
Een van de laatste stoomtreinen in de zomerdienstregeling van 22 mei 1955 was voortrein 361 op maandagochtend van Vlissingen naar Den Bosch. Met leeg materieel werd ’s ochtends vroeg van Roosendaal naar Vlissingen gereden. Doordat er geen treinstel meer beschikbaar was om trein 361 met dieselelektrisch materieel te rijden, werd deze trein getrokken door een 3700 stoomloc. De stoomtrein was ingelegd met 90 km/h en vertrok uit Vlissingen zeven minuten vóór de dieseltrein die 100 km/h moest rijden. De stoomloc stopte niet in Arnemuiden, Kapelle-Biezelinge, in tegenstelling tot de diesel die hier wel stopte. Daardoor werd de voorsprong vergroot met vier minuten en kwam de stoomloc elf minuten eerder aan in Roosendaal dan de diesel.  Tijdens de winterdienstregeling van oktober 1955 reed deze voortrein niet maar vanaf 3 juni 1956 verscheen deze extra trein tussen Vlissingen en Nijmegen weer op de rails. Wederom was het een 3700 uit Roosendaal die de trein tussen Vlissingen en ’s Hertogenbosch reed, daarna kwam er een Nijmeegse 3700 voor de trein. Tot 2 juni 1957 reed de voortrein met stoomlocs, de andere treinen tussen Vlissingen en Nijmegen reden vanaf 1949 met dieseltreinstellen.
De 3700 reed tot in de laatste dagen nog met goederentreinen naar Vlissingen, de 4300’en kwamen nog in Goes, ’s Heer Arendskerke en met de triomftocht van 17 april 1957 met elektrische treinstellen was het voorgoed gedaan met de trouwe stoomlocs, die vanaf 1863 naar Zeeland reden!

Gebruikte bronnen:
4

10
31

Klik op de nummers en u wordt doorgestuurd naar de bronnenlijst

Terug